Vrijspraak na aangifte faillissementsfraude: is de curator aansprakelijk?
Een curator doet aangifte van faillissementsfraude, waarna een omvangrijk strafrechtelijk onderzoek volgt. Jaren later eindigt de zaak in een volledige vrijspraak. Kan de betrokken bestuurder de curator aansprakelijk stellen voor de schade die hij door de strafvervolging heeft geleden? De rechtbank Den Haag geeft inzicht in de hoge drempel voor aansprakelijkheid van curatoren bij het doen van aangifte.
De zaak
Na het faillissement van een vennootschap ontstond bij de curator het vermoeden dat sprake was van faillissementsfraude. Volgens de curator waren er aanwijzingen dat activiteiten en inkomsten van de failliete vennootschap waren overgeheveld naar een andere onderneming. Ook was niet de volledige administratie aan de curator verstrekt. De curator deed daarop aangifte van faillissementsfraude.
Het Openbaar Ministerie startte een strafrechtelijk onderzoek en vervolgde de bestuurder. De rechtbank veroordeelde de bestuurder vervolgens wegens faillissementsfraude. Het hof kwam in hoger beroep echter tot een ander oordeel en sprak de bestuurder volledig vrij.
De bestuurder en de failliete vennootschap stelden vervolgens de curator aansprakelijk. Volgens hen had de curator zijn onderzoek onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd en daardoor onrechtmatig gehandeld.
Het oordeel van de rechtbank
Volgens de rechtbank behoort het tot de taak van een curator om de failliete boedel te beheren en af te wikkelen. Signaleert een curator tijdens zijn werkzaamheden mogelijke onregelmatigheden, dan kan hij daarvan aangifte doen als dat in het belang van de boedel is. Het doen van aangifte valt in dat geval onder de uitvoering van zijn taak als curator.
Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid geldt de zogenoemde Maclou-norm. Daarbij wordt gekeken of een redelijk handelende en voldoende deskundige curator in dezelfde omstandigheden op dezelfde manier had kunnen handelen. Een curator is pas persoonlijk aansprakelijk als hij wist, of redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat zijn handelen onjuist was.
Daarnaast benadrukt de rechtbank dat het doen van aangifte niet snel als onrechtmatig wordt beschouwd. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer degene die aangifte doet, weet dat de beschuldigingen ongegrond zijn, de aangifte voor een oneigenlijk doel gebruikt op een andere manier onzorgvuldig handelt.
Volgens de rechtbank beschikte de curator op het moment van de aangifte over voldoende feiten en omstandigheden om zijn vermoedens van faillissementsfraude te rechtvaardigen. De administratie van het failliete bedrijf was niet volledig aangeleverd. Daarnaast waren er aanwijzingen dat werkzaamheden waren verplaatst en geld was overgeheveld naar een buitenlands bedrijf. Onder die omstandigheden mocht de curator verder onderzoek doen en aangifte doen van zijn vermoedens.
Dat de bestuurder uiteindelijk in hoger beroep volledig werd vrijgesproken, betekent volgens de rechtbank niet dat de aangifte daarmee achteraf onrechtmatig is geworden. De rechtbank oordeelt daarom dat de curator niet onzorgvuldig heeft gehandeld en wijst de vorderingen af.
Les voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat voor aansprakelijkheid van een curator een hoge drempel geldt. Een curator heeft bij de uitvoering van zijn wettelijke taken ruimte om zelf afwegingen te maken. Hij mag aangifte doen wanneer hij aanwijzingen ziet voor mogelijke onregelmatigheden rond een faillissement. Dat een strafzaak later niet tot een veroordeling leidt, betekent niet automatisch dat de curator verkeerd heeft gehandeld. Doorslaggevend is of een redelijk handelende en voldoende deskundige curator op basis van dezelfde informatie tot dezelfde beslissing had kunnen komen.
Uitspraak: Rechtbank Den Haag 08-04-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8806




